Archive for February, 2006

Volle Maan Cafe

Gisteravond ben ik weer naar het Volle Maan Cafe geweest. Ondanks dat Abe de Verteller zou komen, had mijn moppie geen zin om mee te gaan. In mijn eentje naar de kroeg, dat is lang geleden ;-)

Het was voor mij de tweede keer dat ik naar het VM Cafe ging. Wat kun je bij een heksencafé verwachten, dat vroeg ik me ook af … Gezelligheid, een leuke informele manier om gelijkgestemden in contact te komen, om kennis en informatie uit te wisselen en nieuwe vriendschappen op te bouwen.

Abe vertelde zeer beeldend en vol dramatiek het verhaal van de reis van Inanna naar de onderwereld. Het is werkelijk een gave zo vol passie te kunnen vertellen en je helemaal mee te voeren in het verhaal. Ik ben nog niet zo bekend met deze godin … op deze wijze is informatie heel snel te onthouden, ik heb werkelijk genoten…

Inanna, een soemerische godin, is gebiedster van de hemel, schutsgodin van de prostitie, ze bewaakt het heilig huwelijk (Grieks hieros gamos) en de heilige sex. Ze is oorlogsgodin, bewaarder van de me (wetten, machten over orde en regels). Ze heeft gezag over de herdersstaf, sommige weefsels en muziekinstrumenten die met oorlog, dood en begrafenis te maken hebben. Haar attributen waren de wapenuitrusting, haar leeuw en een wijnbeker.

Inanna reguleert de vruchtbaarheid van vrouwen en akkers. In haar vroegste manifestaties hield ze toezicht op de voorraadschuur, en was ze godin van de dadels, vlees, wol en graan. Ze werd gesymboliseerd door de deuren van het pakhuis. Ze heerste ook over de regen en de onweersstormen. Het gebrul van haar leeuw leek het geweld van de donder. Inanna had ook betekenis als vruchtbaarheidsgodin vanwege haar jaarlijkse huwelijk met de herdersgod Dumuzi (‘trouwe zoon’) of Dumuzi-Amaushumgalana.

Ze maakte ooit haar beroemde reis naar de onderwereld, waar haar zus Eresjkigal woonde. Als reden gaf ze aan de wachter dat ze de begravenis kwam bijwonen van de echtgenoot van haar zuster, Gugul-Ana. Tijdens de afdaling moest ze bij de eerste zes poorten sieraden, en bij de laatste haar gewaad afgegeven. Ninsjubur (‘Koningin van het oosten’) wordt op een kleitablet vermeld als haar dienares: zij regelt hulp als Inanna niet meer terugkeert. Inanna mag vertrekken als iemand haar plaats inneemt. Als blijkt dat Dumuzi niet om haar treurt, maar haar plaats op de troon heeft ingenomen en plezier maakt, laat ze Dumuzi en zijn zus Gesjtin-Ana haar plaats innemen.

Bron: Nissaba – Godinnen uit de hele wereld

Vertellingen

Woensdag ga ik weer naar het VolleMaan Cafe, ik heb er zin in … De vorige keer is me goed bevallen en dit keer is er een extra event! Het thema van deze maand is Imbolc. Het is de tijd om de dingen te koesteren en extra aandacht te besteden aan al wat nog kwetsbaar is. Volgens de Keltische traditie draait Imbolc om licht en reiniging. Kaarsen worden aangestoken worden in elke kamer van het huis om de terug keer van het licht te vieren.

Abe de Verteller komt een verhaal vertellen. Hij neemt ons mee terug in de tijd dat de goden mensen waren en de oude tradities leefden onder de mensen.

Waterval
Verhalen, ik kan er zo van genieten. Een goed verteld verhaal brengt me naar binnen, naar mijn innerlijke waarheid en helpt mij mijn rijke innerlijke wereld te verkennen. Ik beleef het mee, zie het verhaal voor mijn ogen zich ontwikkelen, voel de emoties … Een onuitputtelijke bron van inzicht en wijsheid.

Het is al weer jaren geleden dat ik Abe heb horen vertellen, ik meen dat het in 1999 was, in de Keltische tuin in de Hortus in Groningen, een heel aangename verrassing tijdens een verder weinig inspirerend personeelsuitje. Ik kan me nog herinneren dat ik toen zei dat ik het vaker mee zou willen maken. Ik laat deze kans dus niet liggen

Ambachten en huisvlijt

Het laatste jaar merk ik dat ik steeds meer waardering voor oude ambachten, huisvlijt en huisgemaakte producten krijg. De intentie en kwaliteit die je in producten kan leggen, de rust waarmee brouwsels en baksels gemaakt kunnen worden. Een stukje nostalgie, heimwee naar weleer? zegt een 36-jarige Kreeft… Ik weet het niet, ik voel me er goed bij…

Er komen meerdere lijnen bijelkaar; keuzevrijheid in ingredienten, kiezen voor zuiverheid, eerlijkheid in het product, de energie waarmee objecten gemaakt worden. Kwaliteit in plaats van kwantiteit. Het voelt voor mij zuiverder dan massaproductie.

Zelfgebreide dassen, gevijzelde wierook, zelfgemaakte tinctuur, kruidenbitter en tijmsiroop, vervaardigde creme, eigen gebakken boterkoek en brood, de stekken in het raamkozijn. Een keuze, het kost vaak wat meer geld en ook vaak tijd en geduld. Het levert me veel op, plezier tijdens het proces van vervaardigen, het dagelijks ritueel van schudden en draaien, het helpt me om in deze jachtige tijd in mijn eigen ritme te komen. Scheppen en creeëren en na een tijdje wachten komt het echte genieten …

En ja, zo wil ik graag leren spinnen en wol vilten.. Wie weet!

Quert

In rafels en lorren, zo loopt de oude dwaas,
dit is zijn woning, slijtage en doorschijnend gaas
En door de takken schijnt een lappenzon

helende bloesems lonken naar wie ze plukken kon

Quert

Quert – Appel – Malus sylvestris
De wilde appel komt in heel Europa voor. Het is de “oer-appelboom”, waar alle gecultiveerde appels die we nu kennen uit voortkomen. Al lang voor de jaartelling werd de boom gekweekt, in de echte wilde vorm komt hij nog af en toe voor. De appel is een kleine boom met een onregelmatige dichte kroon, ze heeft lange takken met frisgroen blad. Ze bloeit in mei met witroze bloesems, in september verschijnen de appeltjes, die vaak tot na het vallen van de bladeren aan de boom blijven hangen.

Het is het meest waarschijnlijk dat het in de ogham gaat om een gecultiveerde appelboom en niet om de wilde appel. De appel wordt met kiezen in verband gebracht. Kiezen tussen vergelijkbare, even aantrekkelijke dingen. Een keuze die beste moeilijk kan zijn om te maken, gezien de belofte en voldoening die beide opties in zich kunnen hebben. Soms gaat er niet eens om wát je kiest, als je maar een keuze maakt!

Appelhout is taai, hard en sterk.
Bij het branden komt een zoete geur vrij.
De appel staat symbool voor onsterfelijkheid en eeuwige jeugd, de sleutel tot kennis en alwetendheid. Schoonheid, liefde en vruchtbaarheid. Als je een appel doorsnijdt, zie je een pentagram, symbool van de spirituele mens en wicca.

De roze bloesem van de appelbomen in de Betuwe vind ik ieder jaar weer een genot. Jammer genoeg neemt het aantal boomgaarden ieder jaar weer af en is er ook nog maar weinig hoogstamfruit te vinden. Op enkele minuten loopafstand van mijn huis staan er nog enkele, als herinnering aan weleer. Ik geef de voorkeur aan biologische appels en de onbespoten appelstroop van de hoogstambomen gemaakt door Crombach uit Limburg.

Verhalen
Een van de eerste associaties bij de appel is het symbool van kennis, het ontstaan van goed en kwaad. In de bijbel wordt het verhaal verteld van Adam en Eva. Een appel werd door een slang aan Eva aangeboden, waarna mensen uit het paradijs zijn verdreven. Ze had niet van deze boom van kennis mogen eten. Al heel vroeg komt de appel en de appelboom in verhalen voor. Enkele bekende sprookjes: Vrouw Holle, De Gouden Vogel, De duivel met de drie gouden haren. Ook bij het bekende sprookje Sneeuwwitje komt de appel er niet goed vanaf. De vergiftigde appel was immers de oorzaak van haar jarenlange schijndood.

Gelukkig zijn er ook verhalen waar de appels het symbool voor leven zijn. In de Arthur-verhalen dragen de appelbomen vruchten die de gewonde ridders kracht gaven, genazen en weer verjongden.

In de Keltische traditie is de appelboom een van de zeven heilige bomen / hoofdmannenboom, kostbaar om zijn fruit. De boomgaard is een symbool van een paradijs, de Andere Wereld van Avalon. De gezegende appelbomen vallen onder de zorg van Morgen, de Koninklijke Maagd van Avalon. Haar appels zijn helend en beschermend.

Als zoekend naar informatie over de appel wordt ik gewezen op het Wales-e gedicht “Avellenau”, waarin de bard Merlijn in het geheim aan zijn meester het bestaan van deze boomgaard onthulde. Een gedicht wat ik graag eens zou lezen.

Spreekwoorden over de appel
De appel valt niet ver van de boom
Een appeltje voor de dorst bewaren
Appels met peren vergelijken
Appels voor zijn geld kiezen
Men moet de appels niet plukken voordat ze rijp zijn
Eén rotte appel bederft de hele mand

Geraadpleegde bronnen:
De spirituele kracht van bomen – Petra Sonnenberg
De boomhoroscoop
Het keltische bomenorakel – Caitlin Matthews
Het keltisch boomorakel – Liz en Colin Murray

De koe van overvloed

Een wat minder bekend verhaal waarin appelbomen een rol spelen

Gobniu de Wondersmid had een koe: de Koe van Overvloed. Zij graasde in een dag heel Ierland door en gaf melk aan iedereen die ze tegenkwam. In die dagen leed niemand in Ierland honger of gebrek.

Balor met het Boze Oog had zijn zinnen gezet op de Koe. Hij had de grijpgrage hand die nooit gevuld raakt en hij was niet tevreden met wat hij in zijn eigen land had. Hij stuurde de slimste dief die hij had er op uit om de Koe van Overvloed te stelen. De man kreeg haar in handen, maar Gobniu zag hoe de dief haar meenam. Hij uitte een strijdkreet die de sterren van de hemel schudde. De man sprong weg in de duisternis zonder de koe. Gobniu had de koe nog, maar de dief had de halster. Maar nu was het zo, dat het geluk in de halster lag verborgen en waar de halster zich bevond, daar wilde de koe ook heengaan. Sindsdien beleefde Gobniu weinig plezier aan zijn koe. Van de vroege ochtend tot de late avond kon hij haar geen moment uit het oog verliezen, uit angst dat zij naar het land van Balor zou dwalen. Gobniu de Wondersmid moest de hele dag achter haar aanlopen als zij door heel Ierland graasde en de dagen vielen hem lang!

Op een dag kwam een jonge held hem opzoeken; hij was gekleed in een rode mantel met goud afgezet. Hij bleef bij de deur staan en begroette hem: ‘O Gobniu, O Wondersmid! Wil jij een zwaard voor mij smeden? Het moet lang en scherp zijn, een dodelijk wapen, een zwaard om heldendaden mee te verrichten. Wil jij dat smeden, Gobniu? Geen enkele smid in Ierland kan zo goed een heldenzwaard maken als jij.’

‘Het zou me niet al te veel moeite kosten om zo’n zwaard te smeden, jonge held, maar ik moet van de vroege ochtend tot de late avond achter mijn Koe aanlopen. Als ik haar ook maar één moment uit het oog zou verliezen, zou zij naar Balor gaan in het rijk van de Fomor.’ ‘Als jij het zwaard voor mij maakt, zal ik met de Koe uitgaan en haar geen moment uit het oog verliezen.’ ‘Als jij dat voor me wil doen, Cian zoon van Dian-Cecht, dan zal ik een zwaard voor je smeden.’ Zo kwamen zij overeen. De smid begon aan het zwaard te werken, terwijl Cian achter de Koe aanliep. Zij zwierf die dag door heel Ierland en Cian was niet weinig opgelucht, toen ze ‘s avonds bij het huis van Gobniu aankwamen. Er scheen licht binnen en er stonden een paar mannen bij de deur. Zij zeiden tegen Cian: ‘De Wondersmid heeft een zwaard voor je gesmeed. Het moet alleen nog gehard worden, daar heeft hij jou bij nodig, je moet het gevest vasthouden.’ Cian was blij dit te horen en hij rende snel naar binnen. ‘Waar is de Koe? ‘ vroeg de smid. ‘Die staat buiten’, antwoordde Cian, ‘mijn hoofd op het blok als het niet waar is.’ ‘Zij staat niet buiten, zij is bij Balor!’ zei de smid en rende naar de deur. De Koe was weg.

‘Nu heb ik alleen maar mijn hoofd om je als onderpand te geven, Gobniu!’ ‘Ik wil jouw hoofd niet hebben, Cian, zoon van Dian-Cecht, maar ik wil een andere genoegdoening van je vragen. Ga de halster zoeken. Die is bij Balor in het land van de Fomor. De wegerheen is moeilijk te vinden en het is niet eenvoudig om de duistere wateren over te steken, maar keer niet om en hou niet op met zoeken tot je de halster van de Wonderkoe hebt gevonden.’ Cian sprak: ‘Ik zal niet terugkeren naar Ierland zonder de halster van de Koe.’

Cian ging op weg en reisde een lange tijd tot hij bij de duistere wateren kwam. Hij stond aan de oever en zag nergens een boot waarmee hij zou kunnen oversteken. Hij bleef drie dagen en nachten naar een vaartuig zoeken en toen zag hij een klein armzalig bootje met een oude man erin. Cian keek naar het bootje. Nu moet gezegd worden, dat hij een dappere held was en niet van verstand verstoken, maar toch herkende hij die boot niet. Hij wist niet dat hij de Oceaansneller voor zich had, de boot waarmee iedereen in een oogwenk zijn doel kan bereiken. En hij wist niet dat de oude man Mananaun, de Getaande was, de zoon van Lear, de Heerser over alle wereldzeeën.

‘Oude man’, zei Cian, ‘wil jij me naar de overkant roeien, naar het land van Balor?’

‘Jonge held, ik zal je overzetten als je me onder ede belooft dat je mij de helft geeft van wat je daar zult verwerven.’ ‘Ik zal alles met je delen, alleen niet de halster van de Koe van
Gobniu.’ ‘Daar zal ik niet om vragen’, zei de schipper. ‘Afgesproken’, zei de ander.

Hij stapte in de boot en even later waren ze al in het land van de Fomor. Zij gingen aan land. ‘Oude man’, zei Cian, ‘je hebt mij geholpen in de nood. Hier heb ik een gouden ring en hier is mijn mantel; die is kostbaar. Je mag ze allebei houden. Alsjeblieft.’ ‘Wij zullen van mantel ruilen, maar de ring neem ik niet aan.’ Hij legde zijn hand over Gans vingers: ‘Ik zal je een geschenk geven. Ieder slot dat je aanraakt, zal zich vanzelf voor je openen.’ Toen legde hij zijn mantel om Cians schouders. ‘Deze mantel omhult je zoals de nacht de aarde bedekt. Je kunt je veilig voelen in deze mantel, want niemand zal je kunnen zien.’ De lange mantel viel in diepe plooien om Cian heen. Hij voelde dat het een tovermantel was. Hij draaide zich om, want hij wilde de oude man nog eens goed aankijken, maar hij zag hem niet meer en ook de boot was verdwenen.

Cian was in een merkwaardig land aangekomen, verlaten koud en doods. De krijgers van de Fomor zagen er grimmig uit, maar zij konden hem niet zien. Hij werd goed beschermd door de mantel en bereikte het hof van Balor zonder tegenspoed.
‘Wat wil je van me?’ vroeg Balor.
‘Ik wil bij je in dienst komen’, zei Cian.
‘En wat heb jij te bieden?’
‘Ik kan alles maken wat de De Danaans kunnen’, antwoordde Cian. ‘Ik zou gras kunnen laten groeien in dit land waar nog nooit gras heeft gegroeid.’

Toen Balor dat hoorde, klaarde zijn gezicht op. Hij verlangde ontzettend naar een appelboomgaard, net zo een als Mananaun had op het eiland Avilion. Die appelboompjes waren zo mooi dat er heel wat liederen aan ze waren gewijd. ‘Kun jij appelbomen laten groeien? ‘ vroeg hij aan Cian.
‘Jazeker’, zei Cian.

‘Goed’, zei Balor, ‘maak jij een appelboomgaard voor mij. Net zo een als Mananaun heeft. En als ik appels aan die bomen zie, krijg jij de beloning die je maar wenst.’
‘Ik vraag maar om één ding als beloning’, zei Cian, ‘en dat wil ik je meteen bij het begin zeggen. Dat is de halster van de Koe van Overvloed, van Gobniu.’
‘Die zal ik je zonder uitvluchten geven’, zei Balor, ‘ik zal je niet bedriegen.’

Cian was blij met de overeenkomst die hij had gesloten en ging aan het werk. Het kostte hem heel wat werk om gras te laten groeien, want ieder grassprietje dat hij ‘s morgens liet opkomen, verwelkte ‘s avonds onder Balors hete adem. Maar hij hield vol en na verloop van tijd kreeg hij een appelboomgaard. Wanneer hij zijn boompjes verzorgde, keek hij vaak naar een groot, wit kasteel dat in de buurt lag. Er stonden altijd krijgslieden van de Fomor op wacht en op een dag vroeg hij wie daar woonde.

‘Daar woont Ethlinn, de dochter van Balor. Zij is de schoonste vrouw van de wereld, maar niemand mag haar zien. Zij is opgesloten in dit kasteel, want zij mag nooit trouwen. Er is voorspeld dat een zoon die uit haar wordt geboren, Balor zal doden.’

Cian bleef steeds denken aan wat hij had gehoord en de wens bekroop hem om deze schone vrouw te zien. Hij trok zijn tovermantel aan en ging naar het kasteel. Toen hij zijn hand op het slot legde, ging de poort vanzelf open. Dat kwam door de betovering die de oude man op zijn handen had gelegd. Hij ging naar binnen en vond de dochter van Balor. Zij zat aan een weefgetouw en weefde een lap in alle kleuren. Zij zong onder het werk. Cian bleef een tijdje naar haar staan kijken totdat zij sprak: ‘Wie is hier die ik niet kan zien?’ Toen liet hij zijn mantel vallen. Ethlinn draaide zich om en keek hem aan. Zodra zij hem zag, ging zij van hem houden. Zij koos hem als man. Na die tijd kwam hij vaak naar haar toe en zij beloofden elkaar eeuwige trouw.

Na verloop van tijd werd hun een zoon geboren. Hij was zo mooi, dat elke plek waar hij lag, vol met zonneschijn leek te zijn. Ethlinn, zijn moeder, noemde hem Lugh – dat betekent Licht – en Cian, zijn vader, placht hem Zonnegod te noemen. Beide namen behield hij, maar Lugh was de naam waaronder hij later bekend werd. Nu hield Balor de appelbomen goed in de gaten en toen hij zag dat er appels aan hingen, bracht hij de halster van Gobniu’s Koe naar zijn dochter. Hij sprak: ‘Bewaar dit voor mij, en als mijn tuinman er om komt vragen, dan heb ik het niet meer.’

De dochter van Balor nam de halster aan en een tijdje later kwam Cian bij haar met een tak vol appels. ‘De eerste appels zijn voor jou!’ zei Cian. Zij gaf hem de halster. ‘Dit is voor jou. En neem ook ons kind mee en keer terug naar het land waar je vandaan bent gekomen.’ ‘Dat zijn bittere woorden om te horen’, sprak Cian. ‘Wij kunnen niets anders meer doen’, antwoordde zij. Cian nam het kind aan en het halster en hulde zich in zijn
mantel.

Hij nam afscheid van de dochter van Balor en verliet het slot. Hij liep tot hij bij de duistere wateren kwam. Daar zat de oude man in zijn boot. Cian vond dat de overtocht kort duurde,
‘Herinner je je onze overeenkomst nog?’ vroeg de oude man ‘Jazeker’, zei Cian, ‘maar ik heb alleen de halster en het kind wil ik niet in tweeën delen.’ ‘Je hebt het mij beloofd’, zei de oude man. ‘Dan geef ik jou het kind’, zei Cian. ‘Daar zul je nooit spijt van krijgen’, zei de oude man, ‘want ik zal goed voor hem zorgen en hem grootbrengen als een zoon van mijzelf.’ De boot landde in Ierland. ‘Hier is je mantel terug’, zei Cian ‘en hier is het kind.’

Mananaun nam het kleine kind in zijn armen en Cian hielp hem in zijn mantel. Toen hij de plooien uitschudde, zag hij dat de mantel oplichtte in alle kleuren van de zee, en hij hoorde het geluid van golven als zij op de rotsen breken, een muziek als klokgelui. De oude man zag er wonderschoon uit en Cian riep hem toe: ‘Nu weet ik wie je bent, Mananaun Mac Lear. Het was op een gunstig tijdstip dat ik jou mijn zoon heb gegeven, want nu zal hij opgroeien in Tir-nan-Oge, waar hij geen verdriet zal kennen en geen verlies lijden!’

Mananaun lachte en hief de kleine Zonnegod op in zijn beide handen. ‘Als je hem terugziet, Cian zoon van Dian-Cecht, dan zal hij op mijn eigen witte paard rijden en niemand zal hem kunnen tegenhouden. Niet op land en niet op zee. Ik wens je vreugde en geluk bij alles wat je zult ondernemen.’ Mananaun stapte in de boot. Die was zo helder als kristal en schitterde in alle kleuren van de regenboog. Zonder riemen of zeilen gleed hij weg van het land. De golfjes krulden om de boeg en de vissen begeleidden ze. Cian wendde zijn gezicht naar het land en liep naar het huis van Gobniu, de Smid. Toen hij bij het huis aankwam met de halster in zijn hand, stond de Koe daar al. Gobniu kwam naar buiten om hem te begroeten. ‘Welkom thuis, jonge held. Moge alles wat je onderneemt, goed aflopen!’ ‘Dat wens ik jou ook toe’, sprak Cian en overhandigde hem de halster.

Toen gaf de Smid het Heldenzwaard aan Cian en sinds die tijd bestond er een hechte vriendschap russen die twee waar zij veel vreugde aan beleefden.

Bron
Uit: Keltische sprookjes
gelezen op: Wereld Volksverhalen Almanak