Archive for the ‘Verhalen’ Category

Taart!

Het ruikt heerlijk in huis!

Vandaag is het tien jaar geleden dat mijn hubbie en ik onze eerste date hebben gehad. Na een paar weken e-mail en telefonisch contact hadden we de stoute schoenen aangetrokken om een afspraakje te maken. Vanuit twee kanten van het land afgesproken op het Centraal Station in Den Haag.  Ach, wat was dat spannend! De details van de date (en de eerste kus) hou ik lekker voor mijzelf …. 

Om onze eerste date te vieren heb ik een appeltaart gebakken. Het deeg met roomboter was heerlijk zoet, de appeltjes met veel kaneel en onze speciale citroen-essence proefde goed. Die geur van een appeltaart in de oven, heerlijk, daar kan geen wierook tegen op. Nog even afkoelen, slagroom kloppen, een kop koffie en dan smullen maar :-)

Een tikkie sentimenteel ben ik wel, vergeet ik rustig onze trouwdag, vliegen op andere dagen de herinneringen door mijn gedachten.  Ach ja, ben ik dan ook een kreeft voor ;-). Net op het internet-archief een verhaal opgezocht wat Jan heeft geschreven toen we elkaar net kenden, met onze kleindochter op komst is het toch ook wel weer actueel …..

Omdat we beiden 3 persoonlijke astrologische inhouden in het teken Kreeft hebben stelde ik me voor hoe wij over vijftig jaar met elkaar om zouden gaan…..

Krabben op de bank

Het was een zonnige dag in het park, de eerste herfstblaadjes vielen al op de geasfalteerde paden.
Bij de vijver hadden de eenden zich al snaterend verzameld voor een bankje waar twee oude mensjes zaten…

De vrouw had een zakje met brood meegenomen en voerde de immer hongerige vogels kleine kruimels..
“kijk ze toch ‘ns genieten, die eendjes..” zei ze tot haar man die wat zat te suffen op het bankje….

Hij glimlachte vriendelijk en vol liefde naar zijn vrouwtje en zei; ”Je bent ook praktisch een moeder voor die beesies…. je voert ze iedere dag meer brood dan je mij geeft..”.
Hij glimlachte plagerig en stopte een pijp terwijl hij naar de eendjes keek..

Het deed hem denken aan hun kinderen, hoe hij altijd met plezier keek hoe zijn vrouw met het grut bezig was en zuchtte een diepe zucht..

“Waar denk je lieverd ?” vroeg de vrouw die het lege plastic zakje had opgeborgen in haar mantel..
“Ach, ik was weer terug in het verleden, toen de kinderen nog thuis waren..” zuchtte het mannetje, zijn waterige ogen kregen een afwezige blik en de lachrimpeltjes rond zijn ogen rimpelden…

Het vrouwtje bleef stil…
De man legde zijn warme hand op de hand van zijn vrouw en keek haar onderzoekend aan.
“Wat is er meisje van me.. ?”, 
vroeg hij bezorgd en veegde een grijze lok uit haar gezicht.

Een traan welde op op uit haar ogen…
“Dat ze hun moeder nu niet vaker bellen…”, 
snikte ze en veegde een traan weg met de mouw van haar jas.

De man pakte een grote rode zakdoek uit zijn broekzak en zocht zorgvuldig naar een schoon puntje en veegde behoedzaam de tranen van het vrouwtje haar wangen…
“Zo, dat is beter… met die rode oogjes van het huilen wordt je er ook niet mooier op..” mopperde het ventje..
Er verscheen een glimlach op het zachte gelaat van de vrouw..
“Wat een lieve brombeer toch, die vent van mij.” dacht ze en legde haar andere hand op de hand van haar man die nog steeds de hare streelde.

Het ronde kalende gezicht van de man bloosde toen de vrouw hem zacht een kus op de wangen drukte en liefdevol in zijn hand kneep.

De man sloeg zijn arm om de vrouw en trok haar dicht tegen zich aan.
Hij staarde in de verte alsof daar zijn herinneringen tot leven kwamen en zei troostend;
“Zo gaat het nu eenmaal liefje, kinderen worden groot, je kunt niet verwachten dat ze altijd aan moeders rok blijven kleven..”

Het vrouwtje vleide zich tegen haar man aan en bedacht hoe fijn ze het samen hadden.
Toegegeven, hij was dan wellicht een groot kind en bij vlagen niet te genieten maar zijn omarming en zijn zorgzaamheid waren warm en teder.

Zo zaten ze daar een tijdje in stilte en genoten van hun samenzijn.
Toen zei de man;
“Het wordt tijd meiske, ik begin trek te krijgen in een potje oudhollandse kost..”
Het vrouwtje maakte zich los uit zijn omarming en veegde zorgzaam de kruimels tabak van zijn jas.
“Je bent ook net een klein kind..”, mopperde ze..
De man glimlachte, hij vond het heerlijk als ze zo over hem moederde..
Hij stond op en hielp zijn vrouwtje opstaan van het bankje..

“Morgen kom ik weer hoor…”, riep ze naar de snaterende eenden en haakte haar arm in die van haar man die nog even zijn pijp opstak.
Ze snoof de zoete geur van de tabak op en genoot ervan, het paste zo goed bij hem, het deed haar denken aan hun huisje waar ze zoveel jaren samen hadden gewoond.
Die nieuwe service-flat vond ze maar niets…

“Misschien moet je vanavond de kinderen maar eens bellen”, zei de man toen ze gearmd het pad opliepen…….

Cad Goddeu

Solitaire eik op de Edese Heide

Achter ons huis staan een aantal bomen in de groenstrook van de gemeente. Aardige jongens en meiden van een jaar of 30 oud. Het ruisen van de wind door hun bladeren, geeft me altijd een geruststellend gevoel, vergelijkbaar met het kabbelen van de zee langs de branding. Een eenzame eik op de heide, de knotwilgen langs de vaart, de statige beuken in het bos …

Bomen geven me een bijzonder gevoel van verbondenheid. Met hun wortels in contact zijn met de aarde en zich via de stam verbinden met hun kruin, een levende pruik in contact met de hemel. Een bron van inspiratie voor het beleven van mijn spiritualiteit, niet te zweven, wel te leven in verbondenheid met het Al.

De bomen met hun verschil in karakters leren me van het leven. Ik bestudeer dan ook een veelheid aan bronnen om met hun kennis in aanraking te komen, de Ogham is er een van.

Cad Goddeu (The Battle of the Trees) is een gedicht uit het Book of Taliesin, geschreven in Welsh in de 6e eeuw. De complete versie beschrijft het gevecht tussen Gwydion en Annwn (god van de onderwereld). Bomen gaan het gevecht voor Gwydion aan. Volgens Robert Graves komen de bomen uit dit gevecht overeen met de Ogham. Iedere boom heeft een specifieke betekenis en kwaliteiten waardoor Gwydion het gevecht heeft kunnen winnen.

Onlangs heb ik de White Goddess van Robert Graves gekocht, het wordt veel geciteerd als je over de Ogham leest. Hoewel redelijk pittig Engels lijkt het me de moeite waard om te lezen. Dit is het gedeelte over de bomen in Cad Goddeu:

The tops of the beech tree
Have sprouted of late,
Are changed and renewed
From their withered state.

When the beech prospers
Through spells and litanies
The oak tops entangle,
There is hope for the trees.

I have plundered the fern
Through all secrets I spy,
Old Math ap Mathonwy
Knew no more than I.

For with nine sorts of faculty
God has gifted me:
I am the fruit of fruits gathered
From nine sorts of tree.

Plum, quince, whortle, mulberry,
Raspberry, pear,
Black cherry and white
With the sorb in me share.

From my seat at Fefynedd,
A city that strong,
I watched the trees and green things
Hastening alone.

Retreating from happiness
They would fain be set
In the form of the chief letters
Of the alphabet.

Wayfarers wondered,
Warriors were dismayed
At renewal of conflicts
Such as Gwydion made;

Under the tongue root
A fight most dread,
And another raging
Behind in the head.

The alders in the front line
Began the affray.
Willow and rowan tree
Were tardy in array.

The holly, dark green,
Made a resolute stand;
He is armed with many spear points
Wounding the hand.

With foot beat of the swift oak
Heaven and earth rung;
‘Stout Guardian of the Door’
His name on every tongue.

Great was the gorse in battle,
And the ivy at his prime;
The hazel was arbiter
At this charmed time.

Uncouth and savage was the fir,
Cruel the ash tree
Turns not aside a foot-breath,
Straight at the heart runs he.

The birch, though very noble,
Armed himself but late:
A sign not of cowardice
But of high estate.

The heath gave consolation
To the toil-spent folk,
The long-enduring poplars
In battle much broke.

Some of them were cast away
On the fields of fight
Because of holes torn in them
By the enemy’s might

Very wrathful was the vine
Whose henchmen was the elms;
I exalt him mightily
To ruler of the realms.

Strong chieftains were the blackthorn
With his ill fruit,
The unbeloved whitethorn
Who wears the same suit.

The swift pursuing reed,
The broom with his brood,
The furze but ill behaved
Until he is subdued.

The dower-scattering yew
Stood glum at the fight’s fringe,
With the elder slow to burn
Amid fires that singe.

And the blessed wild apple
Laughing in pride
From the Gorchan of Maeldrew
By the rock side.

In shelter linger
Privet and woodbine,
Inexperienced in warfare,
And the courtly pine.

But I, although slighted
Because I was not big,
Fought trees, in your array
On the fields of Goddeu Brig.

De Legende van de heilige Walrick

Koortsboom

Over de Koortsboom in Overasselt

In de 7e-8e eeuw na Christus leefde een roversbende in de moerassen van de Maas en ten zuiden van Nijmegen. Men denkt dat zij zich Hoemannen noemden en dat het plaatsje Heumen hier vandaan komt. Zij verschalkten zich op een zeer strategische plaats met aan de ene zijde een ontoegankelijk moeras en aan de andere zijde een oude Romeinse weg van Nijmegen naar Maastricht. Ook de oude wegen van Nijmegen naar Grave en van Wijchen verder naar het oosten lagen binnen hun roversbereik. Onbeschermde reizende handelaren vielen keer op keer in handen van deze bende.

Zo werd ook op een herfstavond een groep overvallen echter zonder handelswaar of wapens. Iedereen vluchtte behalve de leider, een voorname figuur. Hij werd als een soort van curiositeit meegenomen naar de bendeleider Walrick. Beide mannen zien in elkaar geduchte tegenstanders. Willibrordus, de gevangene, vertelt over een nieuwe godsdienst, een nieuwe maatschappijleer van God en juist op dat moment komt een heidense priesteres binnen met de mededeling dat het dochtertje van Walrick ernstig ziek is. Zij lijdt aan zware koortsen. De moerassen, het veilige toevluchtsoord van de rovers, eisen een zware tol aan malaria. Het kind zal de avond waarschijnlijk niet meer halen.
Walrick geeft zijn predikende gast de kans zijn goedheid waar te maken. Hij moet zijn dochtertje genezen of ook hij haalt de avond niet. Hij zal of een wonderbaarlijke genezer blijken of een bedrieger.

Die avond was voor het ruige roversvolk onvergetelijk. Er gebeurden vreemde dingen, het kind speelde al snel weer en iedereen moest zich laten dopen en onderrichten in de nieuwe leer. Wie weigerde zou dit niet overleven.

Walrick zelf vertrekt vervolgens voor lange tijd en komt pas na tien jaar terug. Hij is als boeteling naar Rome geweest zo blijkt en is daar naar jaren gewijd. Hij komt terug als pastoor van deze ietwat ruige parochie. Hij brengt beschaving in de zin van landbouw en veeteelt en bouwt een kerk midden tussen de vennen.

Dertig jaar is Walrick pastoor en zijn bendeleden worden hardwerkende dorpelingen van een boerendorp. Vlak voor zijn dood vragen zijn volgelingen, die hij altijd wist te genezen van de koortsen. ” Wat moeten we als u er straks niet meer bent?”. Waarop Walrick sprak: “Plant op mijn graf een eik en bidt daar voor de bekering van de heidenen en genezing van de zieken.”

Ooggetuigen weten nog dat er processies vanuit Wijchen naar deze boom werden gehouden. Men ging naar de ruïne van de Walrickkapel om te bidden voor de genezing van de zieken. Wie eenmaal genezen was liet een lint gedragen goed achter in de koortsboom.

De oude eik staat tegenwoordig veel te dicht op het gerestaureerde bouwwerk en zal vroeg of laat moeten verdwijnen. Een nieuwe jonge eik is verderop al gepland en kan tegen die tijd de functie van de oude koortsboom overnemen.

Bron: GeldersGoed

Ellert en Brammert

Op de site van Project Gutenberg vond ik een eBook met Nederlandsche Sagen en Legenden. Een van mijn favorieten: “Brammert en Ellert” stond er ook in.

Als kleine meid heb ik ademloos naar deze sage geluisterd … wat magisch, een sleutel van geluk. Een beetje eng vond ik toen wel dat ze voor de ingang van het Openluchtmuseum stonden. Het is lang geleden dat ik daar geweest ben, wellicht een leuk uitje voor deze zomer?

Brammert en Ellert

Tusschen Schoonloo en Zweel bevindt zich een groot veld, daar staan geen huizen op, en wegen loopen er weinig door: hij, die er gaat, moet niet bang zijn voor de eenzaamheid.

Eens huisden er twee reuzen, Brammert en Ellert heetten ze. Brammert was zoo groot, dat hij de heele breedte der vlakte vulde, als hij terneer lag: dan rustte Ellert in de lengte, en zo bemerkte één van beiden steeds of er iemand aankwam, dien zij konden berooven: óf Ellert wist het óf Brammert, doch één van de beiden altijd.

‘s Daags spanden zij touwen in het veld, en ze bonden er ongewijde klokken aan. Wanneer nu een mensch naderde, liep hij immer tegen een touw, de klokken begonnen te klinken en Brammert en Ellert snelden naar de richting, waar ze het geluid hadden gehoord; menigen schat hadden ze in den loop der tijden vergaard. Tevreden echter waren zij niet. Want ze roofden en moordden geenszins daarom. Ze roofden en moordden, wijl hun was geprofeteerd, dat eens iemand door het veld zou trekken met den sleutel tot het geluk bij zich. Dien sleutel wilden ze hebben, en ze waren teleurgesteld, wanneer ze een reiziger hadden gedood, bij wien ze slechts goud en zilver vonden …. Ze waren ook steeds naijverig op elkander, daar ieder hunner meende, dat de ander zich op slinksche wijze van den sleutel had meester gemaakt, en er niets over had gezegd. Ze bewaakten elkander, als twee honden, wien het te doen is om dezelfde prooi, ze waren elkaar’s schaduw, als twee gevangenen waren zij, door één keten gebonden.

Eens in een donkeren nacht had Brammert, de vader, die drie duim kleiner was dan Ellert, maar daarvoor in de plaats drie duim hersenen meer bezat, een ridder vermoord, en het duurde–daar Ellert niet dadelijk wakker was geworden–eenigen tijd voor ook de zoon het lijk ontdekte.

Ze hadden een beurs gevonden, zo gevuld met goud, als een versche bron met water. Maar Ellert — met zijn domme verstand (had hij niet drie duim minder aan hersenen?) — dacht dadelijk, dat Brammert den sleutel had, en hij zeide tot zichzelf:

“Eerst moet ik probeeren, of Brammert het mij goedschiks bekennen zal, ik zal morgen net doen, of hij zijn geheim in den slaap heeft verraden.

Ze legden zich ter rusten, en ze snurkten zoo luid, dat de vogels den volgenden ochtend te verdoofd waren om te zingen. Toen riep Ellert Brammert met luide stem toe:

“Je hebt ook aardig gedroomd, vadertje.”

“Wat meen je daarmee, zoonlief?” vroeg Brammert.

“Ik hebt wel gehoord, datje den sleutel gevonden hebt.”

“Ik den sleutel gevonden, zoonlief? Welnee goud en zilver, anders had de man niet bij zich en dat is niet veel.”

“Kom, kereltje, wij behoeven elkaar niets wijs te maken. Beken nu maar, dat jij den sleutel hebt gevonden, en dan praten wij er geen woord meer over.”

“Haha,” dacht Brammert, die de slimste was, “nu verklap je jezelf, zoonlief.–Jij hebt het op mijn leven gemunt, zoodra ik den sleutel in mijn bezit heb.” Dit dacht hij, hij sprak echter:

“Meen je, dat ik jou ‘t nu zal vertellen, als ik den sleutel heb? Nee! Wanneer ik hem vind, mag jij hem bewaren, omdat jij de grootste en de sterkste bent van ons tweeën. Ik ben drie duim kleiner dan jij, en ik voel me te zwak voor een zoo zware taak.”

Dit geloofde Ellert met zijn domme verstand, totdat er een paar dagen later een koopman door het veld zwierf, en Brammert de eerste was, die van het buitenkansje profijt trok. Toen Ellert naderde, was moord en roof reeds geschied, en weder wantrouwde de zoon den vader.

“Waarom,” peinsde hij, “is Brammert altijd de eerste? Dat is gemakkelijk te begrijpen … hij wil den sleutel hebben, en mij die niet geven.” Hij sliep den geheelen nacht niet, omdat hij er voortdurend over nadacht, hoe hij zijn vader tot een bekentenis moest bewegen. Eindelijk, de zon was reeds lang opgegaan, en hij had maar altijd liggen peinzen over het moeilijke vraagstuk! ging hij naar hem toe, en zeide:

“Weet je, vadertje, wat ik vannacht gedroomd heb?”

“Hoe zou ik dat weten, zoonlief?” vroeg Brammert, die had geleerd, dat je met vragen verder in de wereld komt dan met antwoorden.

“Ik heb gedroomd, dat jij den sleutel gevonden hebt.”

“Hoe zou ik dien hebben kunnen vinden?”

“Bij den koopman!”

“Die had veel te veel geld bij zich. Die werd veel te veel door zorgen gekweld.”

“Daar heb je gelijk in, vadertje. Neen! dan heb ik verkeerd gedroomd.”

In zichzelf lachte hij, en hij overlegde:

“De derde keer zal hij zeker door de mand vallen. Dan behoef ik heelemaal niet meer op antwoord te wachten, hij zal het mij argeloos vertellen, en ik zal hem dooden om alleen den sleutel te hebben. Laat er één mensch ter wereld komen, die me daarna den sleutel afneemt. Mijn vuisten zijn sterker dan smidshamers, de spieren van mijn armen zijn zwaarden gelijk, en wie durft me trouwens aan te vallen? Zelfs vadertje dood ik in den eerlijken strijd, omdat ik drie duim grooter ben dan hij.” Had hij echter geweten, hoe Brammert terzelfder tijd over hem dacht, hij zou zich nog zoo zeker niet van de overwinning hebben gevoeld.

“Zoonlief denkt, dat hij de geheele wereld met kracht kan overwinnen. Of hij niet weet, dat ik drie duim hersenen meer heb dan hij …. Hoe kom ik aan zulk een dommen zoon?”

Er was nu vijandschap en wantrouwen tusschen hen en ze gevoelden lust elkander te verlaten. Zeker hadden ze dit gedaan, wanneer niet beiden naar den sleutel hadden verlangd. Ze gunden elkaar niets, zwijgend volvoerden zij hun booze daden, niet meer met de sympathie, die kwade menschen verbindt. Ja, in Ellert was de geheime wensch verscholen, Brammert te dooden. Indien hij had gedurfd, zou hij geen oogenblik hebben geaarzeld. Zijn geweten had hij verloren en de stemmen, die spraken in zijn geest, hitsten hem aan tot bloedige dingen. Hij had gezworen, nooit zijn handen te wasschen, opdat ze de kleur en den geur van ‘t bloed zouden behouden.

Brammert bemerkte wel, dat Ellert door wreede lusten werd gekweld: hij zag het aan de oogen, waarover de diepe schaduw van een fellen gloed lag; ook aan de korte, roode vingers, die zich telkens en telkens klemden in de palm zijner hand, en aan de wijze, waarop de dikke lippen zich openden, dat de witte tanden grijnzend bloot-kwamen, aan den peinzenden glimlach, die lag langs mond en wang.

Hij wist ‘t, en ‘t gonsde in zijn hersenen:

“Hij durft mij niet te vermoorden, omdat ik verstandiger ben dan hij. Hij weet, dat ik zijn kracht door mijn slimheid weerstaan kan. Wanneer ik waak en op mijn hoede ben, als hij dicht bij mij is, overwint hij me niet.”

Eens kwam er een jong meisje, dat men niet gewaarschuwd had, van het dorp Sleen in het veld. Ze raakte een touw aan en dadelijk begonnen de klokken te luiden.

Brammert en Ellert schoten toe.

Het meisje wilde vluchten, ze liep over den weg–een vervolgd mensch: de doodsangst was in haar bloed. Met één sprong was Ellert, de grootste der twee reuzen, bij haar! hij greep haar handen vast en lachte.

“Dat hebben wij nooit gehad, een vrouw op ‘t veld. Nu hebben wij iemand, die ons het eten kan bereiden en ons de voeten kan wasschen, als ze gewond zijn,” schertste hij.

“Laat mij gaan” smeekte het meisje.

“Je laten gaan? We zijn veel te blij, dat we je hebben. We zullen je ook niet dood maken.

Het meisje boog de handen voor het gezicht en weende. Nog nooit hadden Brammert en Ellert tranen gezien, wel hadden ze kreten gehoord van vrees en verdoemenis, doch nooit van smart. Ellert stond te grinneken: “Zoo’n buit hebben we nog nooit gehad, vadertje. En ‘t mooiste is, dat ze geen geld heeft, en dat ze den sleutel tot ‘t geluk niet bij zich kan hebben, want dan zou ze er wel gelukkiger uitzien. Alleen, omdat er nog nooit een vrouw op ‘t veld geweest is, zullen wij haar houden.”

Brammert zag haar aan, en er was een vreemde vriendelijkheid in zijn blik: Zooals dikwijls, wanneer een sterk mensch een klein en ongelukkig schepsel ontmoet …. Een stille glimlach, en een trotsch medelijden was achter in de iris zijner oogen. Het meisje keek naar hem op, vertrouwend, en misschien gevoelde ze wel dadelijk, dat, al was Ellert sterker, en oogenschijnlijk machtiger, om haar te beschermen, Brammert drie duim hersenen meer bezat, en hij gezind was tot teerheid. In de dagen, die volgden, vergat Ellert den sleutel tot het geluk … Een doffe pijn was er om zijn hart … dat het jonge meisje glimlachte, wanneer zij bij Brammert was, en weende, als Ellert haar naderde. Somber staarde hij naar Brammert, wiens gezicht veranderd scheen. Nu geleek hij een mensch, wien alle wenschen zijn vervuld. En eensklaps, gelijk een pijl, die tròf, schoot hem van binnen-uit zijn ziel de gedachte in den geest, dat Brammert den sleutel tot het geluk had gevonden, en dat hij-zelf er van verstoken zou zijn tot in het eind zijner dagen.

Eenzaam liep hij over ‘t veld, en hij steunde luid als de stormwind. Voor hij begreep, wat er gebeurde, vielen er tranen, zoo groot als mansvuisten, langs zijn wangen, en hij weende van smart, als ‘t jonge meisje had gedaan.

“Brammert heeft den sleutel tot ‘t geluk,” schokte het op in zijn brein, “en ik mag toekijken …. Hoe moet ik me er van meester maken? Ik wil zoo graag …. Ik gun hem den sleutel niet. Ik zal hem dooden, zoodra ik kan.”

Hij rook aan zijn handen, die als bloed waren.

“Vannacht nog,” fluisterde een booze stem, “als hij nederligt, ‘t hoofd op den heuvel, sla ik hem een ijzeren pin door de hersenen, en nooit meer zal hij opstaan: Ik zal hem den sleutel ontrooven, zoodra hij dood ternederligt.”

Brammert droomde met open oogen. Hij vermoedde nu niet, dat Ellert hem wilde vermoorden. Hij dronk het geluk, tot het overschuimde in zijn ziel. Hij wilde nooit meer rooven en branden, hij wilde het veld verlaten, verre zijn van zijn verleden.

Het was de laatste nacht, dat hij nog op ‘t land doorbracht.

Zijn hoofd lag achterover op den breeden heuvel, die nog altijd de Brammertshoop wordt genoemd. Hij wasbedwelmd door zijn geluk, diep en zwaar zonken zijn droomen in zijn bewustzijn. Het maanlicht scheen, toen Ellert dicht-bij sloop en zich over hem heen boog. Een witte wolk was het maanlicht, die tot op de aarde was gezonken, en een schemer wierp langs den donkeren grond, een vage, mat-zilverdoortrokken glans daarboven. Bij dien gloed aanschouwde Ellert Brammert’s gelaat. Een glimlach bewaakte zijn slaap.

“Hij heeft den sleutel tot ‘t geluk” dacht Ellert.

Hij nam de pin en dreef die zwaren hamer in Brammert’s voorhoofd, ver in zijn hersenen, dat de reuzenkop geklonken werd op den harden bodem. Geen pijn was er op zijn gezicht, de glimlach van vrede bleef. Het geluk was in hem, de laatste seconde van zijn leven.

Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weende. Ellert stond naast haar, en er spraken duistere stemmen in zijn bloed:

“Nooit zul je den sleutel vinden, dien hij gevonden heeft. Tot in verre geslachten zal je naam een vloek zijn, Ellert, Ellert, en nooit zal je naam vergeten worden, Ellert, Ellert ….”

Hij nam het zwaard, waaraan zeven smeden zevenjaren hadden gewerkt, en stiet het zich in ‘t hart. Hij viel neer, naast zijn vader, zonder een woord te klagen. Hun bloed vloeide tezamen.

Het land waar hij gestorven is, draagt zijn naam: Het Ellertsveld. Het was een land van vloek en verdoemenis.

De koe van overvloed

Een wat minder bekend verhaal waarin appelbomen een rol spelen

Gobniu de Wondersmid had een koe: de Koe van Overvloed. Zij graasde in een dag heel Ierland door en gaf melk aan iedereen die ze tegenkwam. In die dagen leed niemand in Ierland honger of gebrek.

Balor met het Boze Oog had zijn zinnen gezet op de Koe. Hij had de grijpgrage hand die nooit gevuld raakt en hij was niet tevreden met wat hij in zijn eigen land had. Hij stuurde de slimste dief die hij had er op uit om de Koe van Overvloed te stelen. De man kreeg haar in handen, maar Gobniu zag hoe de dief haar meenam. Hij uitte een strijdkreet die de sterren van de hemel schudde. De man sprong weg in de duisternis zonder de koe. Gobniu had de koe nog, maar de dief had de halster. Maar nu was het zo, dat het geluk in de halster lag verborgen en waar de halster zich bevond, daar wilde de koe ook heengaan. Sindsdien beleefde Gobniu weinig plezier aan zijn koe. Van de vroege ochtend tot de late avond kon hij haar geen moment uit het oog verliezen, uit angst dat zij naar het land van Balor zou dwalen. Gobniu de Wondersmid moest de hele dag achter haar aanlopen als zij door heel Ierland graasde en de dagen vielen hem lang!

Op een dag kwam een jonge held hem opzoeken; hij was gekleed in een rode mantel met goud afgezet. Hij bleef bij de deur staan en begroette hem: ‘O Gobniu, O Wondersmid! Wil jij een zwaard voor mij smeden? Het moet lang en scherp zijn, een dodelijk wapen, een zwaard om heldendaden mee te verrichten. Wil jij dat smeden, Gobniu? Geen enkele smid in Ierland kan zo goed een heldenzwaard maken als jij.’

‘Het zou me niet al te veel moeite kosten om zo’n zwaard te smeden, jonge held, maar ik moet van de vroege ochtend tot de late avond achter mijn Koe aanlopen. Als ik haar ook maar één moment uit het oog zou verliezen, zou zij naar Balor gaan in het rijk van de Fomor.’ ‘Als jij het zwaard voor mij maakt, zal ik met de Koe uitgaan en haar geen moment uit het oog verliezen.’ ‘Als jij dat voor me wil doen, Cian zoon van Dian-Cecht, dan zal ik een zwaard voor je smeden.’ Zo kwamen zij overeen. De smid begon aan het zwaard te werken, terwijl Cian achter de Koe aanliep. Zij zwierf die dag door heel Ierland en Cian was niet weinig opgelucht, toen ze ‘s avonds bij het huis van Gobniu aankwamen. Er scheen licht binnen en er stonden een paar mannen bij de deur. Zij zeiden tegen Cian: ‘De Wondersmid heeft een zwaard voor je gesmeed. Het moet alleen nog gehard worden, daar heeft hij jou bij nodig, je moet het gevest vasthouden.’ Cian was blij dit te horen en hij rende snel naar binnen. ‘Waar is de Koe? ‘ vroeg de smid. ‘Die staat buiten’, antwoordde Cian, ‘mijn hoofd op het blok als het niet waar is.’ ‘Zij staat niet buiten, zij is bij Balor!’ zei de smid en rende naar de deur. De Koe was weg.

‘Nu heb ik alleen maar mijn hoofd om je als onderpand te geven, Gobniu!’ ‘Ik wil jouw hoofd niet hebben, Cian, zoon van Dian-Cecht, maar ik wil een andere genoegdoening van je vragen. Ga de halster zoeken. Die is bij Balor in het land van de Fomor. De wegerheen is moeilijk te vinden en het is niet eenvoudig om de duistere wateren over te steken, maar keer niet om en hou niet op met zoeken tot je de halster van de Wonderkoe hebt gevonden.’ Cian sprak: ‘Ik zal niet terugkeren naar Ierland zonder de halster van de Koe.’

Cian ging op weg en reisde een lange tijd tot hij bij de duistere wateren kwam. Hij stond aan de oever en zag nergens een boot waarmee hij zou kunnen oversteken. Hij bleef drie dagen en nachten naar een vaartuig zoeken en toen zag hij een klein armzalig bootje met een oude man erin. Cian keek naar het bootje. Nu moet gezegd worden, dat hij een dappere held was en niet van verstand verstoken, maar toch herkende hij die boot niet. Hij wist niet dat hij de Oceaansneller voor zich had, de boot waarmee iedereen in een oogwenk zijn doel kan bereiken. En hij wist niet dat de oude man Mananaun, de Getaande was, de zoon van Lear, de Heerser over alle wereldzeeën.

‘Oude man’, zei Cian, ‘wil jij me naar de overkant roeien, naar het land van Balor?’

‘Jonge held, ik zal je overzetten als je me onder ede belooft dat je mij de helft geeft van wat je daar zult verwerven.’ ‘Ik zal alles met je delen, alleen niet de halster van de Koe van
Gobniu.’ ‘Daar zal ik niet om vragen’, zei de schipper. ‘Afgesproken’, zei de ander.

Hij stapte in de boot en even later waren ze al in het land van de Fomor. Zij gingen aan land. ‘Oude man’, zei Cian, ‘je hebt mij geholpen in de nood. Hier heb ik een gouden ring en hier is mijn mantel; die is kostbaar. Je mag ze allebei houden. Alsjeblieft.’ ‘Wij zullen van mantel ruilen, maar de ring neem ik niet aan.’ Hij legde zijn hand over Gans vingers: ‘Ik zal je een geschenk geven. Ieder slot dat je aanraakt, zal zich vanzelf voor je openen.’ Toen legde hij zijn mantel om Cians schouders. ‘Deze mantel omhult je zoals de nacht de aarde bedekt. Je kunt je veilig voelen in deze mantel, want niemand zal je kunnen zien.’ De lange mantel viel in diepe plooien om Cian heen. Hij voelde dat het een tovermantel was. Hij draaide zich om, want hij wilde de oude man nog eens goed aankijken, maar hij zag hem niet meer en ook de boot was verdwenen.

Cian was in een merkwaardig land aangekomen, verlaten koud en doods. De krijgers van de Fomor zagen er grimmig uit, maar zij konden hem niet zien. Hij werd goed beschermd door de mantel en bereikte het hof van Balor zonder tegenspoed.
‘Wat wil je van me?’ vroeg Balor.
‘Ik wil bij je in dienst komen’, zei Cian.
‘En wat heb jij te bieden?’
‘Ik kan alles maken wat de De Danaans kunnen’, antwoordde Cian. ‘Ik zou gras kunnen laten groeien in dit land waar nog nooit gras heeft gegroeid.’

Toen Balor dat hoorde, klaarde zijn gezicht op. Hij verlangde ontzettend naar een appelboomgaard, net zo een als Mananaun had op het eiland Avilion. Die appelboompjes waren zo mooi dat er heel wat liederen aan ze waren gewijd. ‘Kun jij appelbomen laten groeien? ‘ vroeg hij aan Cian.
‘Jazeker’, zei Cian.

‘Goed’, zei Balor, ‘maak jij een appelboomgaard voor mij. Net zo een als Mananaun heeft. En als ik appels aan die bomen zie, krijg jij de beloning die je maar wenst.’
‘Ik vraag maar om één ding als beloning’, zei Cian, ‘en dat wil ik je meteen bij het begin zeggen. Dat is de halster van de Koe van Overvloed, van Gobniu.’
‘Die zal ik je zonder uitvluchten geven’, zei Balor, ‘ik zal je niet bedriegen.’

Cian was blij met de overeenkomst die hij had gesloten en ging aan het werk. Het kostte hem heel wat werk om gras te laten groeien, want ieder grassprietje dat hij ‘s morgens liet opkomen, verwelkte ‘s avonds onder Balors hete adem. Maar hij hield vol en na verloop van tijd kreeg hij een appelboomgaard. Wanneer hij zijn boompjes verzorgde, keek hij vaak naar een groot, wit kasteel dat in de buurt lag. Er stonden altijd krijgslieden van de Fomor op wacht en op een dag vroeg hij wie daar woonde.

‘Daar woont Ethlinn, de dochter van Balor. Zij is de schoonste vrouw van de wereld, maar niemand mag haar zien. Zij is opgesloten in dit kasteel, want zij mag nooit trouwen. Er is voorspeld dat een zoon die uit haar wordt geboren, Balor zal doden.’

Cian bleef steeds denken aan wat hij had gehoord en de wens bekroop hem om deze schone vrouw te zien. Hij trok zijn tovermantel aan en ging naar het kasteel. Toen hij zijn hand op het slot legde, ging de poort vanzelf open. Dat kwam door de betovering die de oude man op zijn handen had gelegd. Hij ging naar binnen en vond de dochter van Balor. Zij zat aan een weefgetouw en weefde een lap in alle kleuren. Zij zong onder het werk. Cian bleef een tijdje naar haar staan kijken totdat zij sprak: ‘Wie is hier die ik niet kan zien?’ Toen liet hij zijn mantel vallen. Ethlinn draaide zich om en keek hem aan. Zodra zij hem zag, ging zij van hem houden. Zij koos hem als man. Na die tijd kwam hij vaak naar haar toe en zij beloofden elkaar eeuwige trouw.

Na verloop van tijd werd hun een zoon geboren. Hij was zo mooi, dat elke plek waar hij lag, vol met zonneschijn leek te zijn. Ethlinn, zijn moeder, noemde hem Lugh – dat betekent Licht – en Cian, zijn vader, placht hem Zonnegod te noemen. Beide namen behield hij, maar Lugh was de naam waaronder hij later bekend werd. Nu hield Balor de appelbomen goed in de gaten en toen hij zag dat er appels aan hingen, bracht hij de halster van Gobniu’s Koe naar zijn dochter. Hij sprak: ‘Bewaar dit voor mij, en als mijn tuinman er om komt vragen, dan heb ik het niet meer.’

De dochter van Balor nam de halster aan en een tijdje later kwam Cian bij haar met een tak vol appels. ‘De eerste appels zijn voor jou!’ zei Cian. Zij gaf hem de halster. ‘Dit is voor jou. En neem ook ons kind mee en keer terug naar het land waar je vandaan bent gekomen.’ ‘Dat zijn bittere woorden om te horen’, sprak Cian. ‘Wij kunnen niets anders meer doen’, antwoordde zij. Cian nam het kind aan en het halster en hulde zich in zijn
mantel.

Hij nam afscheid van de dochter van Balor en verliet het slot. Hij liep tot hij bij de duistere wateren kwam. Daar zat de oude man in zijn boot. Cian vond dat de overtocht kort duurde,
‘Herinner je je onze overeenkomst nog?’ vroeg de oude man ‘Jazeker’, zei Cian, ‘maar ik heb alleen de halster en het kind wil ik niet in tweeën delen.’ ‘Je hebt het mij beloofd’, zei de oude man. ‘Dan geef ik jou het kind’, zei Cian. ‘Daar zul je nooit spijt van krijgen’, zei de oude man, ‘want ik zal goed voor hem zorgen en hem grootbrengen als een zoon van mijzelf.’ De boot landde in Ierland. ‘Hier is je mantel terug’, zei Cian ‘en hier is het kind.’

Mananaun nam het kleine kind in zijn armen en Cian hielp hem in zijn mantel. Toen hij de plooien uitschudde, zag hij dat de mantel oplichtte in alle kleuren van de zee, en hij hoorde het geluid van golven als zij op de rotsen breken, een muziek als klokgelui. De oude man zag er wonderschoon uit en Cian riep hem toe: ‘Nu weet ik wie je bent, Mananaun Mac Lear. Het was op een gunstig tijdstip dat ik jou mijn zoon heb gegeven, want nu zal hij opgroeien in Tir-nan-Oge, waar hij geen verdriet zal kennen en geen verlies lijden!’

Mananaun lachte en hief de kleine Zonnegod op in zijn beide handen. ‘Als je hem terugziet, Cian zoon van Dian-Cecht, dan zal hij op mijn eigen witte paard rijden en niemand zal hem kunnen tegenhouden. Niet op land en niet op zee. Ik wens je vreugde en geluk bij alles wat je zult ondernemen.’ Mananaun stapte in de boot. Die was zo helder als kristal en schitterde in alle kleuren van de regenboog. Zonder riemen of zeilen gleed hij weg van het land. De golfjes krulden om de boeg en de vissen begeleidden ze. Cian wendde zijn gezicht naar het land en liep naar het huis van Gobniu, de Smid. Toen hij bij het huis aankwam met de halster in zijn hand, stond de Koe daar al. Gobniu kwam naar buiten om hem te begroeten. ‘Welkom thuis, jonge held. Moge alles wat je onderneemt, goed aflopen!’ ‘Dat wens ik jou ook toe’, sprak Cian en overhandigde hem de halster.

Toen gaf de Smid het Heldenzwaard aan Cian en sinds die tijd bestond er een hechte vriendschap russen die twee waar zij veel vreugde aan beleefden.

Bron
Uit: Keltische sprookjes
gelezen op: Wereld Volksverhalen Almanak