Op de site van Project Gutenberg vond ik een eBook met Nederlandsche Sagen en Legenden. Een van mijn favorieten: “Brammert en Ellert” stond er ook in.
Als kleine meid heb ik ademloos naar deze sage geluisterd … wat magisch, een sleutel van geluk. Een beetje eng vond ik toen wel dat ze voor de ingang van het Openluchtmuseum stonden. Het is lang geleden dat ik daar geweest ben, wellicht een leuk uitje voor deze zomer?
Brammert en Ellert
Tusschen Schoonloo en Zweel bevindt zich een groot veld, daar staan geen huizen op, en wegen loopen er weinig door: hij, die er gaat, moet niet bang zijn voor de eenzaamheid.
Eens huisden er twee reuzen, Brammert en Ellert heetten ze. Brammert was zoo groot, dat hij de heele breedte der vlakte vulde, als hij terneer lag: dan rustte Ellert in de lengte, en zo bemerkte één van beiden steeds of er iemand aankwam, dien zij konden berooven: óf Ellert wist het óf Brammert, doch één van de beiden altijd.
‘s Daags spanden zij touwen in het veld, en ze bonden er ongewijde klokken aan. Wanneer nu een mensch naderde, liep hij immer tegen een touw, de klokken begonnen te klinken en Brammert en Ellert snelden naar de richting, waar ze het geluid hadden gehoord; menigen schat hadden ze in den loop der tijden vergaard. Tevreden echter waren zij niet. Want ze roofden en moordden geenszins daarom. Ze roofden en moordden, wijl hun was geprofeteerd, dat eens iemand door het veld zou trekken met den sleutel tot het geluk bij zich. Dien sleutel wilden ze hebben, en ze waren teleurgesteld, wanneer ze een reiziger hadden gedood, bij wien ze slechts goud en zilver vonden …. Ze waren ook steeds naijverig op elkander, daar ieder hunner meende, dat de ander zich op slinksche wijze van den sleutel had meester gemaakt, en er niets over had gezegd. Ze bewaakten elkander, als twee honden, wien het te doen is om dezelfde prooi, ze waren elkaar’s schaduw, als twee gevangenen waren zij, door één keten gebonden.
Eens in een donkeren nacht had Brammert, de vader, die drie duim kleiner was dan Ellert, maar daarvoor in de plaats drie duim hersenen meer bezat, een ridder vermoord, en het duurde–daar Ellert niet dadelijk wakker was geworden–eenigen tijd voor ook de zoon het lijk ontdekte.
Ze hadden een beurs gevonden, zo gevuld met goud, als een versche bron met water. Maar Ellert — met zijn domme verstand (had hij niet drie duim minder aan hersenen?) — dacht dadelijk, dat Brammert den sleutel had, en hij zeide tot zichzelf:
“Eerst moet ik probeeren, of Brammert het mij goedschiks bekennen zal, ik zal morgen net doen, of hij zijn geheim in den slaap heeft verraden.
Ze legden zich ter rusten, en ze snurkten zoo luid, dat de vogels den volgenden ochtend te verdoofd waren om te zingen. Toen riep Ellert Brammert met luide stem toe:
“Je hebt ook aardig gedroomd, vadertje.”
“Wat meen je daarmee, zoonlief?” vroeg Brammert.
“Ik hebt wel gehoord, datje den sleutel gevonden hebt.”
“Ik den sleutel gevonden, zoonlief? Welnee goud en zilver, anders had de man niet bij zich en dat is niet veel.”
“Kom, kereltje, wij behoeven elkaar niets wijs te maken. Beken nu maar, dat jij den sleutel hebt gevonden, en dan praten wij er geen woord meer over.”
“Haha,” dacht Brammert, die de slimste was, “nu verklap je jezelf, zoonlief.–Jij hebt het op mijn leven gemunt, zoodra ik den sleutel in mijn bezit heb.” Dit dacht hij, hij sprak echter:
“Meen je, dat ik jou ‘t nu zal vertellen, als ik den sleutel heb? Nee! Wanneer ik hem vind, mag jij hem bewaren, omdat jij de grootste en de sterkste bent van ons tweeën. Ik ben drie duim kleiner dan jij, en ik voel me te zwak voor een zoo zware taak.”
Dit geloofde Ellert met zijn domme verstand, totdat er een paar dagen later een koopman door het veld zwierf, en Brammert de eerste was, die van het buitenkansje profijt trok. Toen Ellert naderde, was moord en roof reeds geschied, en weder wantrouwde de zoon den vader.
“Waarom,” peinsde hij, “is Brammert altijd de eerste? Dat is gemakkelijk te begrijpen … hij wil den sleutel hebben, en mij die niet geven.” Hij sliep den geheelen nacht niet, omdat hij er voortdurend over nadacht, hoe hij zijn vader tot een bekentenis moest bewegen. Eindelijk, de zon was reeds lang opgegaan, en hij had maar altijd liggen peinzen over het moeilijke vraagstuk! ging hij naar hem toe, en zeide:
“Weet je, vadertje, wat ik vannacht gedroomd heb?”
“Hoe zou ik dat weten, zoonlief?” vroeg Brammert, die had geleerd, dat je met vragen verder in de wereld komt dan met antwoorden.
“Ik heb gedroomd, dat jij den sleutel gevonden hebt.”
“Hoe zou ik dien hebben kunnen vinden?”
“Bij den koopman!”
“Die had veel te veel geld bij zich. Die werd veel te veel door zorgen gekweld.”
“Daar heb je gelijk in, vadertje. Neen! dan heb ik verkeerd gedroomd.”
In zichzelf lachte hij, en hij overlegde:
“De derde keer zal hij zeker door de mand vallen. Dan behoef ik heelemaal niet meer op antwoord te wachten, hij zal het mij argeloos vertellen, en ik zal hem dooden om alleen den sleutel te hebben. Laat er één mensch ter wereld komen, die me daarna den sleutel afneemt. Mijn vuisten zijn sterker dan smidshamers, de spieren van mijn armen zijn zwaarden gelijk, en wie durft me trouwens aan te vallen? Zelfs vadertje dood ik in den eerlijken strijd, omdat ik drie duim grooter ben dan hij.” Had hij echter geweten, hoe Brammert terzelfder tijd over hem dacht, hij zou zich nog zoo zeker niet van de overwinning hebben gevoeld.
“Zoonlief denkt, dat hij de geheele wereld met kracht kan overwinnen. Of hij niet weet, dat ik drie duim hersenen meer heb dan hij …. Hoe kom ik aan zulk een dommen zoon?”
Er was nu vijandschap en wantrouwen tusschen hen en ze gevoelden lust elkander te verlaten. Zeker hadden ze dit gedaan, wanneer niet beiden naar den sleutel hadden verlangd. Ze gunden elkaar niets, zwijgend volvoerden zij hun booze daden, niet meer met de sympathie, die kwade menschen verbindt. Ja, in Ellert was de geheime wensch verscholen, Brammert te dooden. Indien hij had gedurfd, zou hij geen oogenblik hebben geaarzeld. Zijn geweten had hij verloren en de stemmen, die spraken in zijn geest, hitsten hem aan tot bloedige dingen. Hij had gezworen, nooit zijn handen te wasschen, opdat ze de kleur en den geur van ‘t bloed zouden behouden.
Brammert bemerkte wel, dat Ellert door wreede lusten werd gekweld: hij zag het aan de oogen, waarover de diepe schaduw van een fellen gloed lag; ook aan de korte, roode vingers, die zich telkens en telkens klemden in de palm zijner hand, en aan de wijze, waarop de dikke lippen zich openden, dat de witte tanden grijnzend bloot-kwamen, aan den peinzenden glimlach, die lag langs mond en wang.
Hij wist ‘t, en ‘t gonsde in zijn hersenen:
“Hij durft mij niet te vermoorden, omdat ik verstandiger ben dan hij. Hij weet, dat ik zijn kracht door mijn slimheid weerstaan kan. Wanneer ik waak en op mijn hoede ben, als hij dicht bij mij is, overwint hij me niet.”
Eens kwam er een jong meisje, dat men niet gewaarschuwd had, van het dorp Sleen in het veld. Ze raakte een touw aan en dadelijk begonnen de klokken te luiden.
Brammert en Ellert schoten toe.
Het meisje wilde vluchten, ze liep over den weg–een vervolgd mensch: de doodsangst was in haar bloed. Met één sprong was Ellert, de grootste der twee reuzen, bij haar! hij greep haar handen vast en lachte.
“Dat hebben wij nooit gehad, een vrouw op ‘t veld. Nu hebben wij iemand, die ons het eten kan bereiden en ons de voeten kan wasschen, als ze gewond zijn,” schertste hij.
“Laat mij gaan” smeekte het meisje.
“Je laten gaan? We zijn veel te blij, dat we je hebben. We zullen je ook niet dood maken.
Het meisje boog de handen voor het gezicht en weende. Nog nooit hadden Brammert en Ellert tranen gezien, wel hadden ze kreten gehoord van vrees en verdoemenis, doch nooit van smart. Ellert stond te grinneken: “Zoo’n buit hebben we nog nooit gehad, vadertje. En ‘t mooiste is, dat ze geen geld heeft, en dat ze den sleutel tot ‘t geluk niet bij zich kan hebben, want dan zou ze er wel gelukkiger uitzien. Alleen, omdat er nog nooit een vrouw op ‘t veld geweest is, zullen wij haar houden.”
Brammert zag haar aan, en er was een vreemde vriendelijkheid in zijn blik: Zooals dikwijls, wanneer een sterk mensch een klein en ongelukkig schepsel ontmoet …. Een stille glimlach, en een trotsch medelijden was achter in de iris zijner oogen. Het meisje keek naar hem op, vertrouwend, en misschien gevoelde ze wel dadelijk, dat, al was Ellert sterker, en oogenschijnlijk machtiger, om haar te beschermen, Brammert drie duim hersenen meer bezat, en hij gezind was tot teerheid. In de dagen, die volgden, vergat Ellert den sleutel tot het geluk … Een doffe pijn was er om zijn hart … dat het jonge meisje glimlachte, wanneer zij bij Brammert was, en weende, als Ellert haar naderde. Somber staarde hij naar Brammert, wiens gezicht veranderd scheen. Nu geleek hij een mensch, wien alle wenschen zijn vervuld. En eensklaps, gelijk een pijl, die tròf, schoot hem van binnen-uit zijn ziel de gedachte in den geest, dat Brammert den sleutel tot het geluk had gevonden, en dat hij-zelf er van verstoken zou zijn tot in het eind zijner dagen.
Eenzaam liep hij over ‘t veld, en hij steunde luid als de stormwind. Voor hij begreep, wat er gebeurde, vielen er tranen, zoo groot als mansvuisten, langs zijn wangen, en hij weende van smart, als ‘t jonge meisje had gedaan.
“Brammert heeft den sleutel tot ‘t geluk,” schokte het op in zijn brein, “en ik mag toekijken …. Hoe moet ik me er van meester maken? Ik wil zoo graag …. Ik gun hem den sleutel niet. Ik zal hem dooden, zoodra ik kan.”
Hij rook aan zijn handen, die als bloed waren.
“Vannacht nog,” fluisterde een booze stem, “als hij nederligt, ‘t hoofd op den heuvel, sla ik hem een ijzeren pin door de hersenen, en nooit meer zal hij opstaan: Ik zal hem den sleutel ontrooven, zoodra hij dood ternederligt.”
Brammert droomde met open oogen. Hij vermoedde nu niet, dat Ellert hem wilde vermoorden. Hij dronk het geluk, tot het overschuimde in zijn ziel. Hij wilde nooit meer rooven en branden, hij wilde het veld verlaten, verre zijn van zijn verleden.
Het was de laatste nacht, dat hij nog op ‘t land doorbracht.
Zijn hoofd lag achterover op den breeden heuvel, die nog altijd de Brammertshoop wordt genoemd. Hij wasbedwelmd door zijn geluk, diep en zwaar zonken zijn droomen in zijn bewustzijn. Het maanlicht scheen, toen Ellert dicht-bij sloop en zich over hem heen boog. Een witte wolk was het maanlicht, die tot op de aarde was gezonken, en een schemer wierp langs den donkeren grond, een vage, mat-zilverdoortrokken glans daarboven. Bij dien gloed aanschouwde Ellert Brammert’s gelaat. Een glimlach bewaakte zijn slaap.
“Hij heeft den sleutel tot ‘t geluk” dacht Ellert.
Hij nam de pin en dreef die zwaren hamer in Brammert’s voorhoofd, ver in zijn hersenen, dat de reuzenkop geklonken werd op den harden bodem. Geen pijn was er op zijn gezicht, de glimlach van vrede bleef. Het geluk was in hem, de laatste seconde van zijn leven.
Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weende. Ellert stond naast haar, en er spraken duistere stemmen in zijn bloed:
“Nooit zul je den sleutel vinden, dien hij gevonden heeft. Tot in verre geslachten zal je naam een vloek zijn, Ellert, Ellert, en nooit zal je naam vergeten worden, Ellert, Ellert ….”
Hij nam het zwaard, waaraan zeven smeden zevenjaren hadden gewerkt, en stiet het zich in ‘t hart. Hij viel neer, naast zijn vader, zonder een woord te klagen. Hun bloed vloeide tezamen.
Het land waar hij gestorven is, draagt zijn naam: Het Ellertsveld. Het was een land van vloek en verdoemenis.